(Zeer) Kort Verhaal

RK Aloysius School in Sint Nicolaasga

Geplaatst op Geupdate op

Voor mijn klasgenoten van toen (1963-1964)

We waren tien jaar toen ik nog deel uitmaakte van de jaarklas van het Sint Aloysius school in Sint Nicolaasga. Voor de klas stond meester Steens. Een rokende meester die zijn sigaretten liet halen door een van ons. Hij rookte Lucky Star en stak de ene met de andere aan. Ondenkbaar in deze tijd waarin de gruwelijkste afbeeldingen op de sigarettenpakjes worden geprint met de tekst Roken brengt u en anderen rondom u schade toe! Wisten wij veel! Sigaretten halen voor de meester, wie wilde dat niet. De winkel waar je de rookwaar kon halen, was bij de Spar, tegenover de school. Even een frisse neus halen, even niet in de klas zitten.

De vierde klas. We kwamen uit de derde, hoe kan het anders. Daar gaf meester Tiel Groenestege les. Maar dat kan ik mis hebben. Het was het schooljaar 1962-1963. Meester deed dat jaar mee aan de Elfstedentocht. De meest barre Elfstedentocht aller tijden. Er is zelfs een film over gemaakt. Maar dat wisten wij toen nog niet. Maar onze meester had hem geprobeerd uit te schaatsen. Hij kon er gelukkig over vertellen en ons meenemen in zijn belevenis. Reinier Paping heeft die tocht der tochten van 1993 gewonnen. Wat de meester ook zo bijzonder maakte was dat hij gitaar speelde. Gitaar! En dat tijdens de opkomst van The Beatles. Mijn moeder had zelfs een Beatlesvest voor mij gemaakt. Een kraagloos jasje waar ik mij helemaal top in voelde.

Maar wij zaten het jaar daarop bij meester Steens. Een corpulente man die weinig ambitieus zijn werk deed. Geen ambities zoals meester Van der Meer bijvoorbeeld. Die scoorde naast zijn baan als leraar aan de muziekschool, oprichter van het Amazone koor, dirigent van het kinderkoor en ga zo nog maar even door. Of meester Kamsma. Daar heb ik zelfs nog les van gehad op de Detailhandelschool in Sneek. Daar gaf hij Recht- en Wetkennis. Nee, dan meester Steens, die had een brailleboek gemaakt voor een blinde meneer. Meneer Hackenbrock of zoiets. Een uit Nederlands-Indië afkomstige meneer. En ik weet niet wat meester Steens daar mee had, hij leerde ons wel liedjes die hun oorsprong hadden in Nederlands-Indië en Zuid-Afrika. Sarie Marijs bijvoorbeeld. We zongen uit volle borst mee terwijl meester Steens op een soort fluitpiano meespeelde. Het zal een Hammond Melodion geweest zijn. Misschien als je de tekst leest, de melodie weer naar boven komt.

My Sarie Marais is so ver van my hart,
Maar’k hoop om haar weer te sien.
Sy het in die wyk van die Mooirivier gewoon,
Nog voor die oorlog het begin.

O bring my t’rug na die ou Transvaal
Daar waar my Sarie woon.
Daar onder in die mielies
By die groen doringboom,
Daar woon my Sarie Marais.

We werden ongewild, geïndoctrineerd met een stukje Nederlands koloniaal bewind waar we nu geen kaas meer van lusten. Oh, dat weet ik ook nog, meester Steens liep helemaal van stapel bij het vertellen over Schiedam, de stad waar hij was opgegroeid. Ik heb me altijd afgevraagd: ‘Wat in hemelsnaam heeft hem doen besluiten om naar Friesland te verhuizen en daar te gaan werken.’ Het was ongetwijfeld de liefde. Zijn saaiheid straalde af op zijn kinderen. Ik weet nog dat Caspar, onze klasgenoot van die tijd, aanzichtkaarten spaarde van kerken. Daar is hij trouwens nog relatief beroemd mee geworden. Hij kon er prachtig over vertellen.

Eerste communie (7 jaar)

Ik heb twee jaar van meester Steens mogen genieten. Ook in het tweede jaar deed ik mijn stinkende best eens sigaretten voor hem te mogen halen. In die tijd kon ik al enthousiast verhalen vertellen. En er was genoeg te vertellen. Want ik had geen saai leven. Nota bene geboren en getogen in het dorpscafé waar altijd wat te beleven viel. Ik kan me nog herinneren dat de Katholieke Plattelands Jongeren een pater hadden uitgenodigd om stereofonie te komen demonstreren en er over te vertellen. De treinen reden van links naar rechts over de vergaderzaal. Wow! Je hoorde aan de ene kant van de zaal een bord vallen en aan de andere kant iemand ‘hé kijk uit’ roepen. Dat was een goed verhaal. En zo waren er nog velen. De reactie van meester Steens was steevast ‘fijn’. Man oh man, wat ben ik daarop afgeknapt. Je snapt wel dat een tweede jaar bij deze meester een lang en saai jaar is geworden. Zeg maar rampzalig. Fijn!

Zoals ik al vertelde ben ik opgegroeid in het dorpscafé Het Wapen van Friesland waar onder andere ook bruiloften en partijen werden gehouden. Als kind stond ik dan al snel in de weg en om verder niemand voor de voeten te lopen, zocht ik mijn heil op zolder. Daar was het zogenaamde rookluik van de bruiloftszaal. Met mijn hoofd tegen de zoldervloer gedrukt, kon ik nog net een blik werpen op het podium waar de bruiloft sketches werden voorgedragen. Vaak kwam het niveau niet hoger dan het afdraaien van het ‘abc’ of de zogenaamde ‘snitzelbank’. Dit laatste is een zogenaamd ‘stapellied’ waarbij bijzonderheden uit het leven van het bruidspaar als het ware wordt gestapeld, steeds gevolgd door een smeuïg refrein. Niks bijzonders dus.

Tot Johan Veltman zijn intrede deed als conferencier. Een opkomend begrip dat vorm werd gegeven door onder andere Toon Hermans. Dan sloop ik naar de zolder en drukte ik mijn oor bijna door de zoldervloer om maar niks te hoeven missen van deze virtuoos. Hij nam stoïcijns plaats op een barkruk, recht tegenover de spiegel waaronder het bruidspaar zat en stak dan van wal in een ‘het-kon-mij-niet-lang-genoeg-durend’ oeverloos gekabbel. Zijn optredens konden het best worden vergeleken met de sinterklaasconference van Toon Hermans. Evenals Toon kon ook Johan heel goed kijken, luisteren en voelen wat er zoal in de wereld om ons heen gebeurt. Zijn trouwconferences gingen nergens over, hij schopte er niemand mee tegen het zere been en iedereen lag dubbel omdat het zo verschrikkelijk herkenbaar was. Ik nam een besluit: als ik later groot zou zijn, wilde ik ook trouwconferencier worden.

Ik ben nu ruim tien jaar trouwambtenaar en voel ik mij erg op mijn plek in een trouwzaal. Mensen verbinden in de breedste zin van het woord is iets wat ik het liefste doe. Met mijn positieve energie en enthousiasme weet ik het bruidspaar en de luisteraars altijd te boeien.

Mijn enthousiasme en vertelkunst zijn dus niet om zeep geholpen door meester Steens of het doubleren van de vierde klas. Ik denk eerder dat het een aanmoediging was om mijn eigen weg te vinden in het leven en mijn talenten te ontdekken, te benutten.

Eens een dromer en een enthousiast verteller, altijd een dromer en enthousiast verteller. Ik weet niet hoe jullie mij hebben ervaren, maar dit zijn wel zo’n beetje mijn pijlers in het leven. Mijn wandeling door het leven geef ik vorm op mijn blogs. Mijn belevenissen als trouwambtenaar geef ik vorm op de website www.leonardbouwhuis.nl. Daarnaast boeit de vraag wat de zin van het leven is mij mateloos. Mijn zoektocht heeft mijn tomeloze energie onverminderd positief gehouden. Mijn overdenkingen, gedichten en korte verhalen publiceer ik op mijn website www.zinvinder.nl.

Dit jaar heb ik zoals velen van jullie, ook ik de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Dan ga ik tevens met pensioen. Ik kan terugkijken op een weelderige carrière. Van etaleur, naar grafisch ontwerper, docent etaleren, re-integratie consulent, voorlichter afvalinzameling, zelfstandig ondernemer, levensloop- en loopbaancoach, freelance docent aan diverse hogescholen waarvan het grootste deel bij de Hanzehogeschool in Groningen naar trouwambtenaar.  Ik vat mijn bezigheden samen als: boent, faciliteert, motiveert, steunt, trouwt, schrijft of doet andere dingen. Als trouwambtenaar trouw ik bruidsparen door het hele land. En dat blijf ik voorlopig nog wel even doen. Verder hoop ik vooral te genieten van het leven zoals het mij is gegeven. Samen met mijn vrouw, kinderen en sinds kort kleinkind.

Het valt niet mee om in coronatijd elkaar weer te kunnen ontmoeten, laat staan de hand te schudden. Maar ik zou het wel leuk vinden.

De Week van het Korte Verhaal

Geplaatst op Geupdate op

In de Week van het Korte Verhaal 2021 breng ik graag mijn verhalenbundel onder jouw aandacht.
Lees er meer over op deze site. Zoek op Verzonnen Waarheid of klik op de knop Verhalen bundel.

Zeer kort verhaal | Pûst

Geplaatst op Geupdate op

Ik fietste en wilde links afslaan de Hielkemalaan in. Breed over de straat stonden daar een vijftal kinderen met hun fiets aan het begin van de laan opgesteld. Kennelijk om nog iets af te spreken. Ze zagen mij wel degelijk aankomen maar waren geenszins van plan ruimte voor mij te maken. Mijn reactie was misschien daarom wel wat direct toe ik riep: ‘Ga even aan de kant!’ ‘Wat zegt u?’, sprak een jongetje van een jaar of negen. ‘Jullie hadden wel even aan de kant kunnen gaan’, riep ik nog druk met mijn fiets langs het groepje manoeuvrerend. ‘Ja ja, doe maar rustig aan’, was de reactie. ‘Pjust’, riep ik nog. Ik weet niet waar ik het vandaan haalde. Ik snapte het hele woord niet. Het klonk goed en was kennelijk een kwalificatie van het ‘joch’ dat mij tot rust probeerde te manen. De blaag, dacht ik en riep ‘pjust’. Later op de dag pakte ik mijn laptop erbij om eens te zoeken naar de herkomst van mijn kwalificatie ‘pjust’. Het leverde mijn niets o. Ik googelde verder. Tenslotte kwam ik op ‘pûst’. Vrij uit het Fries vertaalt betekent dat ‘puist’. Iets wat uitgeknepen kan worden op het moment dat het op knappen staat. ‘Doe maar rustig ouwe’, hoorde ik hem nog roepen terwijl hij zijn schoolvriendjes aan keek. Ondertussen heb ik hem uitgeknepen!

Afscheid van onze poes

Geplaatst op Geupdate op

Poema, je stal ons hart
Met jouw trouw en vriendelijke aard.

Poema stal ons hart

Al je broertjes en zusjes waren al gekozen. Je was de enige die overbleef. Na lang aarzelen deed je nog een poging. Heldhaftig te doen en de krabpaal in te klimmen. Alle broertjes en zusjes stonden l al boven. Het lukte en toen je boven was, wachtte de volgende uitdaging: naar beneden.

We maakten een lijst met namen. De een nog mooier dan de ander. Het werd Poema. Geen Puma, van de sportschoenen, maar Poema. Al snel werd het Poemie. Scherp uitgesproken Poemiiiiiiii. En ze luisterde naar haar naam. Poema, er is zoveel over jou te vertellen. Lieve Poema, onze kattiekat’, onze Poemiii. Huisdier, speelkameraadje, swiffer en waakpoes.

Zodra er gekookt werd, posteerde jij je bij de koelkast. Tijd voor karnemelk. Er ging geen dag voorbij. Als wij een keer niet thuis waren rond die tijd, kwam tante Marthy om jou van karnemelk te voorzien.

Afgelopen zondag 5 april is onze lieve huisgenoot, onze poes Poema overleden. Ze heeft 15 jaar bij ons gewoond. Haar afwezigheid maakt ons in één keer bewust hoezeer haar aanwezigheid verweven is met alles in ons leven. Wat rest is een leeg nest. En nu voelt het huis zo leeg zonder haar. De eerste dagen voelt die leegte zo naar. We hebben geen idee hoe we hier mee om moeten gaan. Met al dat niks. Met zonder Poema. Haar gemiauw om karnemelk. Haar trillende staartje als ze een vogeltje in de tuin zag. Haar gevecht met de luxaflex om naar buiten te kunnen kijken. Het vaste ritueel van de dag ’s avonds op mijn schoot te komen liggen.

We brachten haar naar achteren. ‘Kom maar Poemie, je gaat naar bed!’. En dan liep ze achter ons aan naar de bijkeuken om nog een laatste snoepje te krijgen. Daar stond een mand voor haar. Zij koos voor een plekje op de deurmat of op de stellingkast. Lekker hoog, als een uitkijk. Als we weg waren geweest en weer de oprit opreden, zat ze steevast op ons te wachten. Zonder een moment van twijfel, waren we er gewoon weer. Ze liep achter ons aan als we gingen wandelen. Tot ze besloot niet verder mee te gaan. Daar bleef ze dan wachten en moesten we haar weer ophalen.

Poema, onze klimkat. Op het dak van de buren, over de schutting. Hoog, zittend op de hoek van het platte dak. Uitkijkend over de oprit.

En nu voelt het huis zo leeg. Zo anders stil! We hebben jou een plek gegeven in onze en jouw tuin. Op de plek waar je zo graag lag. Nu zoeken we kracht en hulp bij het afscheid nemen van onze poes Poema, onze trouwe poes, die ons lief is. Wij bewaren jouw beeld en alles wat je voor ons betekende in ons hart. Wij zijn zo dankbaar voor wie ze was. Nu vertrouwen we haar toe aan moeder aarde en gunnen haar de ‘eeuwige vrede’.

poema steegdeurRust zacht lieve Poema.

 

 

 

Het leven van een pensionado

Geplaatst op Geupdate op

Ik besluit dat ik het kan freestyle

Het glaasje voor de lamp van onze afzuigkap is stuk. In drie delen gebroken. Het is geen gezicht zonder. Bovendien wordt het armatuur van de lampjes nu vet en gaan de lampjes sneller stuk. Zo is mijn inschatting althans. De afzuigkap was de sluitpost bij het aanschaffen van de nieuwe keuken. Nu alweer zo’n vijftien jaar geleden. De afzuigkap was al vanaf het begin een ergernis. Teveel lawaai en met een motortje van niks. ‘Ik wil een nieuwe afzuigkap’, mopperde ik aan de eettafel. ‘Geen sprake van’, kreeg ik als antwoord. Toen flitste het door mijn hoofd: waarom zoek je het onderdeel niet op het internet. ‘Je kunt dat’, sprak ik mijzelf moed in. En werkelijk, ik typte als trefwoorden Pelgrim, afzuigkap, afdekglaasje, lampglaasje in. En voilà, daar verscheen een afbeelding met daaronder de maten. Ik het in drie delen uit elkaar gevallen plaatje aan elkaar gelegd en met de rolmaat de maten opgenomen. Die klopten als een bus. Vanochtend kreeg ik het lampglaasje in een kartonnen verpakking aangereikt door een medewerkster van een bezorgdienst. Niet veel later prijkte het nieuwe glaasje in de kap. Ik ben in tijden niet zo blij geweest met mijn afzuigkap en mezelf. Ik heb het ‘genaild’.

Gezondheid!

Geplaatst op

hatsjoe

Ik ben een nieser.
Vaak drie keer achterelkaar.
Steevast krijg ik dan te horen dat er mooi weer op komst is of dat ze mij gezondheid toewensen.
Prettig om te horen.
Tot voor kort.
De laatste tijd vragen ze mij of ik onlangs in China ben geweest. Wat is er gebeurd?

#zinvinder

De week van het korte verhaal | 2020

Geplaatst op Geupdate op

Logo DWVHKV

Van 14 t/m 21 februari 2020 is de negende editie van de Week van het Korte Verhaal. Ruim vijfentwintig boekhandels, verspreid over heel Nederland, en in België, spannen zich deze week extra in om het genre de aandacht te geven die het verdient. De Week van het Korte Verhaal begon klein, maar vindt steeds meer weerklank bij boekverkopers, pers, uitgevers en vooral: bij lezers.

Mijn verhaal | Wabe Wennekes uit Blauwe Hand

Hij zou naar de dokter gaan. Vragen naar de oorzaak van zijn klachten. Van de druk op zijn borst, de kortademigheid en zijn toenemende doodsangst. De anders zo rustige Wabe, kon de laatste tijd geen rust meer vinden. Hij boomde met zijn lange benen, wild zwaaiend met zijn armen, van de ene naar de andere kant van de kamer, de deur van zijn atelier mijdend. Hij vermeed het atelier, de verblijfplaats van zijn poppen. Hij zou mij laten weten wat het gesprek met zijn huisarts had opgeleverd. Maar niks. Het bleef stil. Dus besloot ik hem op te zoeken in zijn caravan in Blauwe Hand. Daar vond ik hem op de grond van zijn atelier. In het minitheatertje, achterin het atelier, waar hij zijn try-outs speelde voor intimi, lag hij bedolven onder het gevallen toneeldoek. In een serene rust, zijn poppen innig omhelzend. Verstrikt tussen de draden en speellatten van zijn zo geliefde marionetten. De kachel brandde stil. Uit de speakers van zijn muziekinstallatie klonk Liefde Van Later van Herman van Veen. ‘Als liefde zoveel jaar kan duren, dan moet het echt wel liefde zijn, ondanks de vele kille uren, de domme fouten en de pijn.. Heel deze kamer om ons heen, waar ons bed steeds heeft gestaan, draagt sporen van een fel verleden, die wilde hartstocht lijkt nu heen, die zoete razernij vergaan,  de wapens waar we toen mee streden.’

marionet

Wiegel Waggel was de artiestennaam van poppenspeler Wabe Wennekes. Geboren als middelste zoon van Douwe Wennekes en Teressa Aaltje Bonk uit Wanneperveen. Wabe was vaak de verliezer in de strijd om aandacht binnen het gezin. Met zijn ouders, in tegenstelling tot zijn broers, was hij duidelijk minder verbonden. In zijn onzekerheid zocht hij vaak de veiligheid in het spelen. Hij was een goed onderhandelaar en goed in het oplossen van ruzies. Hij was wat je noemde een sociaal mens en een vredestichter. Het was de basis voor zijn succes. De vraag waaraan zijn succes te danken was boeide hem mateloos. Zijn zoektocht hield hem tomeloos energiek en onverminderd positief. Zijn zelfspot leverde hem enorm veel zelfkennis op en bracht keer op keer weer wind in de zeilen voor nieuwe producties. Naast poppenspeler ontwikkelde hij zich als schrijver. De met uitzinnige metaforen doorspekte theaterstukken en verhalen getuigen van een onvermoeibare geestdrift die hij in zijn woordenval liet neerdalen op zijn toeschouwers en lezers. Als een spiegel van elk menselijk gedrag, met een impact van een razende bij in een koepeltentje. In een interview had hij eens gezegd: “Mijn optredens zijn een expressie van wat ik ben. Een mogelijkheid om al mijn talenten te benutten. Mijn poppenspel is plezier. Er is niks leuker! Ik denk soms dat mijn poppen meer Mij zijn dan ikzelf.”

Mensen fascineerden hem. Hij was mateloos geïnteresseerd in wat maakt dat mensen dingen doen die ze doen. Zijn waarnemingen waren haarscherp en vormden de basis voor zijn voorstellingen en het fundament voor zijn succes. Al op jonge leeftijd raakte hij in de ban van poppen. Hij was dol op het verzinnen van typetjes en experimenteerde met stemmetjes. Er was geen podium waar hij geen gebruik van maakte en was zeer creatief in het zichzelf in de picture spelen. Het lukte hem keer op keer zijn kunsten te vertonen in bovenzaaltjes van kroegen, dorpshuizen,  op basisscholen en op campings. Hij maakte handpoppen, beweegbare poppen en marionetten, timmerde en schilderde zijn eigen decors en speelwerelden. Want dat was meer en meer zijn manier van werken. Hij creëerde een speelwereld waar je welkom was, welkom in de wereld van Wiegel Waggel.

Wabe verliet al vroeg zijn ouderlijk huis. Zijn sterke karakter en de behoefte naar zelfstandigheid was niet te keren. Hij was een ondernemerstype, direct en initiatiefrijk. Maar ook een einzelgänger.

Hij nam zijn intrek in een stacaravan bij de jachthaven in Blauwe Hand. Met het zicht op de Blauwhandse brug en aan de linkerkant de Beulakkerwijde. Een enkele keer werd hij gesignaleerd in de lokale gasterij. Wiegel was op zijn manier een wereldburger, maar voor de buitenwereld een onbekende. In het buitenland werd zijn werk geroemd en in een adem genoemd met Jozef van den Berg. Een vergelijk waar hij zelf geen streep onder kon zetten.

Tot zijn 56 trad hij op. Toen stopte hij. Abrupt, zonder enige aankondiging. Zonder afscheid of verklaring. Hij was er klaar mee. Zijn liefde voor de poppen sloeg om in afkeer. Ze kwamen hem te dicht op zijn huid. De grotendeels met de hand uitgeschreven dialogen tijdens het spel, ontaarden steeds vaker in confronterend wapengekletter. Zelfs in de bewegingen trokken de marionetten steeds vaker aan de touwtjes. Hij begon te piekeren.

Jarenlang was hij de spiegel geweest van de samenleving. Het had hem arrogant gemaakt. Hem naar de grens gebracht van ongenaakbare hooghartigheid. Zijn poppen waren allemaal personages die, nu hij ze beter leerde kennen, alter ego’s werden. Alter ego’s die aan deuren gingen rammelen die hij liever gesloten hield.

Zijn grootste poppenvriend was al jaren Okse Kleipoot. Het was een lomperik van  jewelste. Hij maakte zijn naam helemaal waar door met zijn met klei besmeurde poten als een os over alles en iedereen heen te walsen. Vooral heilige huisjes waren zijn doelwit. Kerk, seks, opvoeding. Geen onderwerp werd geschuwd. Zonder enige terughoudendheid. Maar wel met de lachers op zijn hand. En dan was er Kieke Dom. Wiegel hield van haar als geen ander. Ze was lief, kende geen haatgevoelens of wraak en was allerminst jaloers. Ze kon heel goed vergeven. Dat kwam mede doordat ze niks kon onthouden. Zoveel krediet ze zelf nodig had, gaf ze ook aan anderen. En ze was spontaan. Spontaan en een flapuit. En ja, dat pakt dan wel eens verkeerd uit. En dan kijkt Kieke dom. En mocht je denken dat ervaring wel leert? Bij Kieke Dom niet. Haar grootste charme was haar klunzigheid. Een grotere ergernis kon je het publiek niet geven. En toch was zij de publiekslieveling. Een speciale plek in zijn hart was PPPPPPrater. PPPPPPrater, je raad het al, stotterde. Prater kon zo goed gevoelens verwoorden, hem aanvoelen, hem troosten en toch ook aanmoedigen. Hem terecht wijzen en ook weer op weg helpen. Prater was niet van het naar buiten treden. Hield niet van het podium, van show, van grote gebaren. Prater was stil en serieus. Zoals hij als kind was.

Prater herinnerde hem steeds vaker aan het jongetje van toen. Het was ook Prater die steeds vaker aan haar eigen touwtjes begon te trekken.

Wabe Wennekes had het spel beheerst. Was de schepper, de regisseur. Had de touwtjes in handen. Tot er aan zijn deur werd geklopt. Hij moest verhuizen. Weg van de camping. Hij mocht niet langer permanent wonen op een park dat oorspronkelijk bedoeld was voor recreatie.  De druk om te moeten verhuizen raakte hem diep in zijn zwakste plek: durven veranderen. Zijn sprakeloze poppen hebben hem begraven. Zijn kist bedekt met het toneelgordijn. Het doek was definitief gevallen.

Uit de bundel van Leonard Bouwhuis | Verzonnen Waarheid

Kort verhaal, lekker sterk!

Geplaatst op Geupdate op

Dit is zo’n verhaal dat ooit tot een eind zou moeten komen maar nooit kwam. Dus is het verhaal door overlevering, door het door te vertellen, een eigen leven gaan leiden. De ene versie nog mooier dan de andere. Hoe dan ook is het een verhaal dat het vertellen waard is. Van wal dus.
De Wiel Doniaga
Aan het Westeinde woonden drie ooms. Elk met een eigen bedrijf. De een met melkkoeien en varkens, de ander met melkvee en een levendige paardenhandel en tot slot een oom die als keuterboer van een kleine melkveestapel moest rondkomen en zijn inkomsten moest aanvullen met loondienst. Ze hadden ieder hun eigen tractor. Peet, de boer met de varkens, bestierde zijn land met een Mc Cormick. Een ‘rode duivel’ die, volgens zijn zeggen, hem nooit in de steek liet. De van oorsprong Amerikaanse tractor deed het goed in Nederland. Piet, de boer met de levendige paardenhandel, reed op een Deutz-Fahr. De Deutz-Allis was de Amerikaanse versie en is alleen in de VS met een rode kleur uitgevoerd in plaats van het lichtgroen van Deutz-Fahr. En daar komt de freule ten tonele: de Allis Chalmers. Een eerder oranjekleurig model met een petroleummotor (PA). Uniek, maar vooral betaalbaar. Want benzine was duur in die tijd. Lubbert, mijn derde oom, had een Massey Ferguson, een Amerikaans tractormerk. De Massey Ferguson was rood van kleur. Daarnaast stalde of weide mijn oom Lubbert verschillende paarden.

Nu alle spelers bekend zijn begint het verhaal. De onderlinge rivaliteit liep bij tijden hoog op. Wie had de sterkste tractor, welke tractor kon het zware werk het best aan en welke tractor had de meeste toepassingsmogelijkheden. In grote lijnen ontliepen de merken elkaar niet. Behalve de Allis Chalmers, dat was een buitenbeentje. Van trekkracht was nauwelijks sprake. Hoewel er van paardenkracht (PK) wordt gesproken om de trekkracht van een tractor te duiden, kwam de Allis Chalmers niet verder kan kippenkracht. De Allis Chalmers was er meer voor het stilstaande werk zoals het pompen van water uit een sloot of het aandrijven van de mobiele melkstal. Mijn oom slingerde de Allis Chalmers ’s ochtends vroeg aan om hem daarna de rest van de dag te laten ronken. Het was een dagelijks terugkerende ochtendgymnastiek of ‘workout’ om de tractor aan de praat te krijgen. Maar als de ‘freule’ liep, was het klaar voor de rest van de dag. De zonen van oom Piet noemden hun oude besje ‘de freule’. Ze behandelden haar met veel egards. En je moest er geen grap over maken, want dan was het hommeles. Mijn broer Harry, die veel met zijn neven optrok op het boerenbedrijf van zijn oom, had ook een zwak voor de Allis Chalmers. Hij sprak daar vaak over. Stinkend naar mest kwam hij dan thuis om zijn avontuur met de freule uit de doeken te doen. Meestal kwam hij niet ver met zijn verhaal omdat mijn moeder hem eerst naar het washok verbande. Ik had geen idee wat nu precies de naam was van de tractor. Tot ik onlangs tijdens een fietstocht in de buurt van Heino een kilometerlange stoet aan tractors tegemoet reed. Daar las ik de naam Allis Chalmers. Met een galante sprong, zette ik de fiets aan de kant om een foto te maken.
Allis Chalmers Knip
Eens per jaar kon mijn oom Peet het gras gaan maaien aan de uiterste rand van het Tjeukemeer. Het grasland werd de Wiel genoemd. Een drassig stuk land dat maar een paar weken geschikt was om te bewerken. Zeer de moeite waard, want het gras was mals. Als het werk klaar was, gingen we met de familie een dag mee. Op een boerenkar geladen met brood, beleg, koffie voor de ouderen en een melkbus vol limonade voor de jeugd. Voor mijn ouders, ooms en tantes werden er grote kleden op het grasland aan de oever van het meer uitgespreid. De neefjes en nichtjes zochten hun vertier in het ondiepe water. Tegen de schemering ging de hele familie met tractors en boerenwagens weer terug naar de boerderij. Althans dat was de bedoeling.

Oom Peet manoeuvreerde de Mc Cormick met de kar richting de boerderij en raakte vast in het drassige land. Oom Piet sprong op en riep: ‘Ik haal mijn Deutz wel even!’ En ruim een uur verder reed hij op zijn groene alleskunner het weiland in. De Deutz werd voor de Mc Cormick geplaatst en met een touw aan elkaar verbonden. De trekkracht van de Deutz zou onze redding worden. Het was inmiddels al behoorlijk schemerig. Beide trekkers zetten met loeiende motoren al hun pk’s in en raakten beide vast. Oom Lubbert zag ‘het zwerk al drijven’. ‘Ik haal de Massey Ferguson.’ ‘Dan haal ik de Allis Chalmers!’, brulde de zoon van oom Piet. Nog geen half uur later stonden de vier tractoren in slagorde achter elkaar. De Allis Chalmers voorop. De trekkertrek kon beginnen!

De meeste familieleden hadden inmiddels de arena verlaten. De zon was ondergegaan en het schamele licht van de tractoren gaf het spektakel eerder een sinistere sfeer dan die van een krachtmeting tussen de rivaliserende ooms met hun tractoren. De motor van de oude freule sloeg af. Het aanslingeren van het oude besje zou een flinke aanslag op oom Piet plegen. Om de trekker met mankracht van zijn eerste positie te krijgen was geen optie. Iedereen keek teleurgesteld naar de tot de wielnaven in de grond gezakte tractoren. De competitie eindigde in een remise.

Toen stapte oom Lubbers de arena in met aan zijn hand een Belgisch trekpaard. Oom Lubbert had zijn troef zorgvuldig buiten zicht gelaten en zag zijn kans nu voor eens en voor altijd, de onderlinge rivaliteit te beslechten. Er werd eerst gegniffeld en de ooms porden elkaar in de zij. Zo van: kijk hem daar met zijn knol. Maar oom Lubbert spande de Belg zorgvuldig en onverstoorbaar voor de vier tractoren. De Belg wist niet wat haar te wachten stond en bewoog zenuwachtig haar gecoupeerde staartje. Het gegniffel verstomde en de spanning steeg. Oom Lubbert sprak de Belg toe door het paard in het oor te fluisteren. De oren spitsten en de spieren spanden aan. Het begrip paardenfluisteraar was geboren. De Belg zette zich schrap, de kop boog en het gewicht van het paard deed de touwen spannen. Langzaam maar zeker kwam er beweging in de stoet tractoren. Het paard maakte een eerste stap en de tractoren kwamen omhoog. In allerlei werden de kuilen in de grond geslecht en kwam de hele rij in beweging. De Belg kreeg er plezier in. Zeker toen oom Lubbert nog eens in zijn oor had gefluisterd. Nog geen tien minuten laten stonden de tractoren weer op het droge grasland daar aan de Wiel. De zoon van oom Piet was inmiddels op de Allis Chalmers gesprongen en had de freule aan de praat gekregen waardoor het leek of zij samen met de Belg de klus had geklaard.

Opgetogen reden de ooms met de nog aanwezige familie naar huis. Wat een dag was het geworden. Een dag met een apocalyptisch slot waar nog jaren over gesproken werd. Oom Lubbert kreeg de heldenrol toebedeeld. Samen met zijn Belg zal hij tot lang na zijn dood worden geroemd.

Met dank aan mijn broer Harry die zijn liefde voor de Allis Chalmers altijd is blijven verkondigen.

Rinkeldekink in Dinkelland

Geplaatst op Geupdate op

watermolen in singraven dinkelland

Tijdens onze vakantie in de gemeente Dinkelland bezochten we diverse plaatsen waaronder Ootmarsum. Tijdens onze short break zaten we graag op bankjes in de natuur. Daar las ik dan mijn vrouw voor uit het boekje Rinkeldekink van Martine Bijl. Een klinkende titel, dat zeker. Het boekje had ik cadeau gekregen bij een proefabonnement op de Trouw. Heerlijk vier zaterdagen een krant en nog een boekje erbij toe. Dat beloofde een mooie vakantie te worden.

Mijn vrouw is niet zo goed in lezen. Dat komt door een aura-migraine aanval die zij een aantal jaren geleden gehad heeft. Zij vindt het voorgelezen worden prettig en het heeft, zo samen op een bankje in de natuur, iets intiems. Tijdens ons bezoek aan de jaarlijkse Siepelmarkt stalden wij onze fietsen aan het kerkplein. Er stonden meerdere fietsen. Dus dat leek ons een veilige plek. De meeste spullen namen we uit de fietstas mee. Het boekje lieten we in de tas zitten. Toen we terugkwamen van onze stadswandeling, jazeker stadswandeling, want Ootmarsum kreeg in 1300 haar stadsrechten, stopten we onze spullen weer in de fietstas en hervatten onze fietstocht. Eenmaal bij een geschikt bankje aangekomen, zocht ik het boekje. Maar Rinkeldekink, het boekje was er niet meer. Weg. Verdwenen. Het zal toch niet moedwillig uit onze fietstas zijn gehaald? Mijn vrouw zat er maar beteuterd bij toen ik haar moest teleurstellen. ‘Rinkel de kink in Dinkelland’, mompelde ik.

rinkel de kink boek knip